[Samenvatting:] De VN 4 is in 1899 gebouwd bij scheepstimmerwerf Nieuwboer in Spakenburg. Na de verkoop in 1913 is de botter in Urk verbouwd. Voor de zware Kromhout moest het achterschip worden versterkt. De uitsparing in de legger voor het vliegwiel van de Kromhout is nog steeds aanwezig (2019). Ook is de waterbalk verplaatst naar 30 cm achter de mast en is de steven voorzien van een stevenverdubbeling de zgn. snars. Verder zijn zetboorden aangebracht vanaf 1 m achter de voorbolders tot aan het einde van het zwaard. Voor een deel zijn deze zetboorden nog bewaard gebleven (2019). Waarschijnlijk is de botter in de Urkerperiode ook rondom in het blik gezet. Mede daardoor is het casco redelijk goed bewaard gebleven en was er weinig lekkage.
In Amsterdam is de Kromhout eruit gesloopt om meer ruimte te hebben voor de bewoning. Ook is de mast later schuin boven het dek afgezaagd om een ligplaats op de eilanden te kunnen innemen. Het middenschip was overtimmerd. De toegang was via het achterschip vanaf de doft.
Enkele jaren later kwam de botter in handen van Gerrit Kamphuis uit Neck. Kamphuis was toen eigenaar van de Volendammer kwak VD 5 (nu VD 241) en had tevens van de Vereniging Oud Volendam de kwak VD 41 (Papoeska) in beheer. Met beide schepen maakte hij tochten met betalende passagiers. In de winterperiode lagen zijn kwakken vaak in Purmerend, bij de loods van scheepstimmerman Gerard Uitslager. Kamphuis handelde in die tijd in oude botters, als casco of in zeilende staat. In 1976 lag in de zomerperiode een onbekende botter aan de kade. De botter was afkomstig uit Alkmaar en Kamphuis was door de havendienst daar gesommeerd om de loswal bij het industrieterrein te verlaten. Met hulp van de sleepdienst Timmerman uit Purmerend werd de botter naar Purmerend gesleept en in de Where afgemeerd.
In 1976 verkocht Kamphuis de botter aan Piet Knook uit de Beemster. Bij Knook ontstond in die tijd belangstelling voor botters. In 1972 organiseerde hij bottertochten vanuit Edam als onderdeel van de Manifestatie Waterlandse Kunstenaars die in Purmerend van start ging en vanuit Edam over het IJsselmeer eindigde in Hoorn. In 1974 maakte Knook de tentoonstelling ‘De botter, een uitstervend scheepstype’.
Conserverende werkzaamheden
De eerste werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de houten opbouw en het plaatsen van een nieuw dek om verdere inwatering te voorkomen. In het vooronder waren reeds een aantal nieuwe oplangers aangebracht die met slotbouten waren vastgezet door de geblikte huidgangen.
Een stam eikenhout werd gekocht om de instekers en de binnenboorden te vernieuwen. Er was veel gebruikt materiaal te koop zoals een mast (HK 165), een giek (BU 4), een grootzeil met gaffel (BU 4), een fok (HK 165), zwaarden, een roer en een motor. Bij scheepswerf Groot in Edam werd de motor ingebouwd. Een gebruikte roer werd aangehangen en er werden diverse werkzaamheden uitgevoerd om de botter ‘in de vaart’ te brengen.
Beheersstichting en de eerste restauraties
In 1979 werd Stichting tot behoud van de botter VN 4 opgericht en is daarmee een van de oudste botterstichtingen. Het doel van de stichting is om de VN 4 te behouden door restauratie en exploitatie. Om dat laatste mogelijk te maken vond, met een krediet van de ABN, een eerste restauratie plaats bij de werf van Cees Droste in Hoorn. Vernieuwd werden de vlakpunten in het voorschip en aan beide zijden twee kimgangen. Ook werden een aantal leggers, 5 zitters en 2 oplangers vernieuwd. In 1981 vernieuwde Cees Droste op de werf in Edam de voorsteven. Later, in 1989 werd een nieuwe mast gemaakt.
Vanaf 1980 werd deelgenomen aan de Westwal botterwedstrijden met de vrienden van de VN 4. De vrienden droegen ook bij aan diverse uitgaven zoals de aanschaf van een kluiver, de stutter en vaarbomen en later ook van de zwaarden. Ook werden tochten gemaakt met betalende passagiers met als doel om de lening af te betalen en een restauratiereserve op te bouwen. Ook werden tochten gevaren in het kader van de cultureel-toeristische manifestatie Toer-In Noordholland om kleine informele groepen de gelegenheid te bieden eens met een botter te varen.
Verdere grote restauraties
In 1995 werd de 2e restauratie uitgevoerd bij Scheepswerf Droste. Vernieuwd werden alle nog niet vervangen inhouten onder het dek, oplangers en knieen in het zeilwerk, de zeilbalk en de dekbalken. Verder nieuw dek, het krophout met boorden en bolders en de waterbalk. Daarnaast een aantal gangen in de kop aan BB.
Een 3e grote restauratie werd uitgevoerd in 2001. Cees Droste was inmiddels verhuisd naar Zeeland zodat een andere werf gevonden moest worden. Bij scheepstimmerwerf Nieuwboer werden de leggers, zitters en het spoor van het zeilwerk vervangen alsmede 6 huidgangen in de kop aan SB. Een 4e grote restauratie werd uitgevoerd in 2005 en 2006. Toen werden bij Nieuwboer de boorden, het achterhuisje, het berghout aan BB en de stuiten rondom vervangen.
In 2012 werd het vlak vernieuwd. Gezocht werd naar een werf waar de botter een aantal maanden binnen kon staan. Die mogelijkheid werd gevonden bij Van der Meulen in Sneek. In twee winters werd het vlak vernieuwd. De 6 cm dikke eiken delen werden in een grote bak ‘gekookt’. Voordeel daarvan is dat er geen verkoolde laag ontstaat zoals met branden. Naast het vlak werden ook enkele huidgangen vervangen aan SB in het achterschip en de kimgangen aan BB in het voorschip. Ook werd een legger vernieuwd en een aantal zitters in het achterschip.
Om het berghout aan SB te vervangen werd gezocht naar een werf met goede zichtlijnen zowel van voren als van achteren. Die werd gevonden in Elburg. Voor deze 6e grote restauratie werd een stam eiken op bestek gezaagd. De hartplaat met 70 x 12,5 x 760 cm was bestemd voor de berghouten aan SB en BB. Op deze wijze kwam een bijna foutloos stuk eiken beschikbaar. De overige delen van de stam werden opgezaagd voor het vervangen van de lijfhouten, de deken en de trog. Deze werkzaamheden werden voor een groot gedeelte in 2019 uitgevoerd.
Lees volledige tekstPeriode Bunschoten: BU 161
Teunis Hopman werd geboren in Spakenburg op 18 mei 1881. Als jongen ging hij al mee op de botter BU 161 van zijn vader Tijmen Hopman Sz. Toen hij 18 jaar oud was liet hij in 1899 een nieuwe botter bouwen bij scheepstimmerwerf Nieuwboer in Spakenburg. De vraag is of Teunis Hopman ook opdrachtgever is geweest of dat zijn vader Tijmen de botter later op naam van zijn zoon bij het CVR heeft ingeschreven. Teunis was toen 18 jaar oud en nog ongetrouwd. Zijn vader Tijmen was in 1899 55 jaar oud en enigszins bemiddeld door zijn huwelijk met een boerendochter. Het was niet ongebruikelijk dat visserijnummers in de ‘familie’ bleven en overgingen van vader op zoon. Voor de inschrijving in 1899 is in het gemeentelijk visserijregister geen schriftelijke bron te vinden. Op 1 juli 1911 werd de botter ingeschreven in het landelijke centrale visserijregister (CVR) als halfgedekte platbodem vaartuig (botter) met als brutoinhoud 61 m3.
Wie was Teunis Hopman? Teunis was volgens zijn kleinzoon Hans Hopman een bescheiden man. Mede daarom is er weinig fotomateriaal over hem en de BU 161 uit die tijd te vinden. Het rapport van Redeke vermeldt over de Bunschoter vloot in 1907 bij de BU 161: Teunis Hopman, botter 20 ton, viswant staande schakels (haringreepnetten), staande ansjovisnetten en dwarskuil. Ook in de Van Keulen Almanak van 1887 staat een BU 161 vermeld: T. Hopman Sz,botter, 20 ton. Dit moet een eerdere botter met als nummer BU 161 zijn geweest want de BU 161, later VN 4, werd pas in 1899 gebouwd. Na de 1e wereldoorlog was nog sprake van een derde BU 161 die afkomstig was uit ‘t Gooi en een goede zeiler moet zijn geweest.
Vader Tijmen en zoon Teunis hadden elk een bijnaam. Voor Tijmen Hopman was dat Tiemen van Maotje. Hij werd geboren op 3-1-1844 en is overleden op 20-11-1931. Hij is vernoemd naar zijn moeder: Maatje Niezen. Naar deze bijnaam is ook de steeg/straat officieel vernoemd waar hij heeft gewoond: de Maatjessteeg (gemeenteraadsbesluit 24 mei 1984). Deze steeg droeg in de volksmond al deze naam, omdat daar de ‘Maatjestak’ van de Hopman-familie heeft gewoond. Teunis (van Tiemen) van Maotje was de bijnaam van Teunis Hopman, geboren op 18-5-1881 en overleden op 4-5-1970. Zijn bijnaam was ‘Motje’ en hij was ook visser van beroep (BU 161). Hij was bekend als ‘De Botkoning’, omdat hij een zeer verdienstelijke visser was.
In 1913 verkocht Teunis Hopman de BU 161 (de huidige VN 4) aan Klaas Kroon op Urk.
Periode Urk: UK 177
In 1913 wordt de BU 161 verkocht naar Urk en krijgt als nummer UK 177. De eerste Urker eigenaar is Klaas Kroon. De vrijgezel gebleven Klaas Kroon is een zoon van Jurie Kroon van de UK 177. Hij werd geboren op 27 februari 1878 en is gestorven op 29 september 1947. De schuit van zijn vader Jurie, UK 177 “De Jonge Klaas”, wordt in 1882 ingeschreven en staat in 1907 na het overlijden van Jurie op naam van zijn weduwe Jannetje Molenaar, met zoon Klaas als schipper. Hoogstwaarschijnlijk is de schuit in 1912 verkocht of gesloopt, in ieder geval uitgeschreven.
Ter vervanging koopt de vrijgezelle Klaas Kroon de BU 161 en laat deze in 1913 inschrijven als UK 177 “De Jonge Klaas”. Op 18 november 1918 verkoopt hij de UK 177 aan zijn 25-jarige oomzegger, Klaas Brands, die naar hem vernoemd was. De moeder van Klaas was Marijtje Kroon en een zus van Klaas Kroon. Zijn bijnaam was ‘De Centeling’ omdat hij zo extreem zuinig was. Dit werd later verbasterd tot ‘De Zendeling’.
Klaas Brands was een typische Zuiderzee- en later IJsselmeervisser. Bij timmerwerf Roos werd de botter verbouwd tot motorzeilbotter met stevendubbeling, de waterbalk achter de mast en hoge zetboorden vanaf het zwaard tot een meter achter de voorbolders.
Door Klaas Brands werd de botter gebruikt voor de visserij op haring en ansjovis in twee kamers, één bij Zurich en één bij de Afsluitdijk. Ook viste hij op bot met staand want en met sleepnetten wellicht ook in span.
In 1949 wordt de UK 177 naar Vollenhove verkocht en laat Klaas nog een stalen kottertje met als nummer UK 177 bouwen voor de visserij op het IJsselmeer.
Periode Vollenhove: VN 4
In mei 1949 werd de botter verkocht naar Vollenhove. Wat drijft een visserman uit Vollenhove om na de afsluiting en de inpoldering van de N.O.Polder in 1942 een 49-jaar oude botter te kopen? Wat waren zijn economische vooruitzichten? De eerste eigenaar in Vollenhove was Brandt Visscher. Hij had meerdere bijnamen o.a. ‘De Elburger’ want hij kwam van Elburg.
Willem van Norel schrijft over Brand Visscher: Brand was de oudste zoon van Gerrit Jan Visscher (1867-1934) en Gerritdina Ordelman (1867-1961). Hij werd geboren op 30 november 1897 te Elburg. Brand Visscher kocht in 1923 de bons EB 2 van de familie Vos. Brand was in Elburg al vanaf zijn twaalfde jaar vissersknecht bij zijn vader op de EB 48. In een briefje aan de Rijksdienst schrijft Brand dat hij door zuinig te leven zoveel had overgehouden dat hij in 1923, toen 26 jaar oud, schipper kon worden op de EB 2.
Na aankoop van de bons kocht Brand Visscher voor 92 gulden een nieuwe kubbeboot en honderd kubben met toebehoren. Brand Visscher viste nog drie jaar met zijn bons vanuit Elburg. In juni 1923 trouwde hij met Jet Schuurman. Na zijn huwelijk verhuisden zij in het najaar van 1926 naar Vollenhove en betrokken daar het nog bestaande opvallende witte huis aan de haven ‘Aan Zee 34’. Het huwelijk bleef kinderloos.
De bons werd omgenummerd tot VN 4. In 1949 kocht hij de botter UK 177 van Klaas Brands. De botter kreeg als nummer VN 4. Als bijnaam had hij In Elburg ook de naam ‘De Broodwolf’. Dat zegt wellicht iets over zijn ijver als visserman.
Brand Visscher is in 1956 gestopt met de visserij. Rondom 1958 werkte hij bij de Centrale Suikermaatschappij. Hij overleed op 29 april 1967 en bereikte de leeftijd van 69 jaar.
Brand Visscher verkocht in 1957 de VN 4 aan Tiemen Mondria. Mondria was de laatste visser op de VN 4 en was eigenaar tot en met 1964.
Toen Mondria, geboren op 3 mei 1911, de VN 4 kocht was hij 46 jaar. Hij viste aanvankelijk vanuit Urk maar verhuisde in 1958 naar Hoorn waar de botter het nummer HN 4 kreeg. Op de kaart uit het CVR staat als zijn adres: a/b woonschip Jacobus Hendrica i/d Karperkuil. Als viswant staat vermeld de kuilvisserij vanuit Hoorn. In 1960 ging Mondria terug naar Vollenhove en werd de botter weer omgenummerd naar VN 4.
Ook Mondria had een bijnaam: ‘Tiemen de Kuper’.
Vollenhove werd als eerste visserijplaats in 1940 afgesloten van het IJsselmeer. Vlak voor de afsluiting in 1932 van de Zuiderzee waren er nog 64 vaartuigen. In 1939 43 en in 1944 27. Tussen 1947 en 1955 bleef het aantal vergunninghouders gelijk. Als laatste visten vanuit Urk nog twee botters: de VN4 van Tiemen Mondria en de VN 60 van Jan Ouderling. De VN 60 werd in 1962 uitgeschreven. Daarmee is de VN 4 de laatste botter die onder een VN-nummer viste vanuit Urk.
Anton Vis voer als knecht in 1962 met Mondria mee. Zij visten toen met staand want en met de kuil en vingen paling, snoekbaars en baars. De thuishaven was Urk en de vis ging naar de afslag waar dat het beste uit kwam. Niet alleen in Urk, maar ook aan de Westwal zoals in Enkhuizen, Hoorn en Volendam.
Mondria onderhield de botter op verschillende werven. De werf van Kroese in Vollenhove was in die tijd al gesloten. In 1963 stond hij voor onderhoud op de werf in Edam of Monnickendam. De visserij was in die jaren een aflopende zaak. Hij kreeg van G. Haas uit Monnickendam een goed bod en dat betekende voor de VN 4 het einde van de visserijperiode. De VN 4 werd op 7 december 1964 doorgehaald in het CVR. Later verscheen de VN 4 in de Amsterdamse wateren en werd aanvankelijk gebruik voor recreatie, later als woonschip op de Amsterdamse eilanden.
Samenvatting